Megs Devonshire houdt van feiten. Behalve dan het feit dat haar jongere broertje George als gevolg van een hartprobleem niet lang meer te leven heeft. Als George in de ban raakt van het boek 'Het betoverde land achter de kleerkast' en erachter komt dat Megs de schrijver ervan regelmatig ziet lopen in de buurt van Somerville College, waar ze wiskunde en natuurkunde studeert, smeekt hij haar om hem te vragen waar Narnia vandaan komt. Eerst sputtert Megs tegen – ze kent hem niet persoonlijk en kan hem toch niet zomaar zoiets vragen? ¬– maar uiteindelijk geeft ze toe en ze spoort de schrijver op. Maar in plaats van een pasklaar antwoord op de vraag van George, geeft Jack Lewis haar nieuwe verhalen. En daarmee krijgt ze iets wat veel waardevoller is…
De verhalen over Narnia zijn misschien fascinerend, maar dat geldt eveneens voor dit geweldige verhaal, dat een uniek inkijkje geeft in de jonge(re) jaren van C.S. Lewis. Het is namelijk zowel boeiend als intrigerend om te lezen hoe hij van een ziekelijk jongetje dat dol was op sprookjes, opgroeide tot een jongvolwassene die verliefd werd op de Noordse mythologie en vervolgens beide liefdes combineerde in zijn eigen sprookjesland. Maar het hartverwarmende verhaal van Megs en vertederende, vroegwijze George, dat kunstig om dat van Lewis heen is geweven, is zeker net zo mooi. Vooral vanwege de liefde tussen broer en zus, én de ontdekking die Megs doet: dat verhalen soms het enige zijn waardoor het leven begrepen kan worden en dat verbeelding en hoop krachtiger zijn dan welk feit ook.
'Er was eens een kleerkast' voert je mee naar een jarenvijftigwereld van verhalen, sprookjes, fantasie, een vleugje magie en C.S. Lewis, en zal je hart veroveren – of je nu van dat alles houdt of niet.