Dominee is namelijk een heel gewone dorpsdominee, die zijn handen vol heeft aan het pastoraat in zijn gemeente en de preekvoorbereiding – van zijn wekelijkse bezoekjes aan drie tachtigjarigen tot het bestuderen van Aramees. Hij heeft helemaal geen tijd voor iets anders. Maar dan heeft mevrouw Van der Steen, een van zijn gemeenteleden, zijn hulp nodig… bij het opsporen van een dief. Als dominee schoorvoetend een helpende hand biedt, blijkt hij zowaar speurderskwaliteiten te bezitten en ontpopt hij zich als een ware detective. En al snel kloppen er meer mensen bij hem aan, met allerlei ingewikkelde zaken.
Dat leidt ertoe dat dominee het ene moment dominee is en het volgende moet overschakelen naar zijn alter ego detective, wat de nodige komische situaties oplevert. (Ik zat hier regelmatig hardop te grinniken.) Maar hoe leuk bedacht die ook zijn, ze vormen niet het allerbeste aspect van deze roman. Dat is, als je het mij vraagt, de subtiele manier waarop Marijke je aan het denken zet. Enerzijds over je gedrag als kerkganger (bepaalde gedragingen en excuses van de kerkgangers in het verhaal zijn beschamend herkenbaar). Aan de andere kant over geloofsthema's. Die laatste komen meestal slechts heel terloops ter sprake en worden met humor en enige zelfspot gebracht, maar ze zijn wel raak. Daardoor gaan ze niet je ene oor in en het andere uit, maar blijven ze hangen.