Engeland, 1820. Om haar broer te helpen reist juffrouw Rebecca Lane terug naar huis, om vervolgens door hem naar het tot hotel omgetoverde klooster Swanford Abbey te worden gestuurd. Ze moet zijn manuscript geven aan de beroemde schrijver Oliver Ambrose, die daar logeert, in de hoop dat hij het onder de aandacht van zijn uitgever wil brengen. Daar aangekomen merkt Rebecca al snel vreemde zaken op. Wie sluipt er 's nachts bijvoorbeeld door de kloostergangen? Ze vindt het verdacht, helemaal als de schrijver op een ochtend vermoord in zijn kamer wordt aangetroffen. Samen met Frederick, haar vroegere buurjongen die ook in het hotel logeert, gaat ze op onderzoek uit, en dan blijkt dat meerderen een motief hebben voor de moord. Maar wie heeft het nu echt gedaan?
Dat Julie Klassen zich bij het schrijven laat inspireren door wat auteurs als Jane Austen hebben geschreven, is geen geheim. Deze keer heeft ze echter ook wat van Agatha Christie in haar roman gestopt. Het verhaal draait namelijk vrijwel geheel om de vraag wie erachter het gepleegde misdrijf zit – het is ten diepste een echte whodunit – en die staat garant voor heel wat mysterie en enige spanning. Daarnaast is er, tussen alle moordgerelateerde bedrijven door, ook plaats voor romantiek en je krijgt zijdelings wat mee van de psychiatrie begin negentiende eeuw. Samen is dat voldoende interessant en boeiend om je aandacht vast te houden tot aan de ontknoping en waarschijnlijk eveneens om je ervan te doen genieten, zelfs al is het wellicht niet het meest sprankelende en aansprekende boek dat je ooit gelezen hebt.
'De echo van Swanford Abbey' is het zoete en romantische van een regencyroman en het raadselachtige van een detective ineen. Absoluut geen onaangename combinatie.